Nieuw: De weg naar je ware Zelf

Het is zover! Vanaf nu is ‘De weg naar je ware Zelf’ te koop! (Wie ‘Leef! Het verhaal van Ego’ gelezen heeft, zal de titel van dit oude manuscript onmiddellijk herkennen.)

Het pad van de gnosis

Het doel van het leven is te worden wie we in wezen zijn. Gnosis leert dat ons ware Zelf spiritueel is. Of we dit Zelf nu goddelijk, Christus of Atman noemen ~ haar functie blijft gelijk: ze wil door ons tot expressie gebracht worden, zodat de mens zichzelf weer als één met het leven kan ervaren.

Maar voordat we ons Zelf tot uitdrukking kunnen brengen, moeten we haar bewust maken. Dit boek beschrijft de weg waarlangs we ons Zelf leren kennen en uitdrukken: de ‘goudgele weg’, afgeleid van het pad van de gnosis. Deze verbindt twee ogenschijnlijk tegengestelde paden: psychologie & religie.

Via psychologie worden we ons bewust van onze schaduwzijden die het zicht op ons Zelf verborgen houden. Via religie gaan we aan het ego voorbij om zo het Zelf te bereiken. Beide paden ~ psychologie & religie ~ ontmoeten elkaar in de goudgele weg die, naar het hermetisch gezegde ‘zo boven, zo beneden’, God & mens, geest & denkgeest, werkelijkheid & illusie met elkaar verbindt.

De hondenstrontvreter

Toegeven, de onalledaagse titel is even wennen, maar wie het nieuwe boek van mijn vader – Fré Videler - door Freudiaanse bril leest, begrijpt al gauw dat deze vertelling uit het onderbewuste de censuur van het Über-Ich doorstaan heeft. Gelukkig, want het is een prachtig boek, dat onlangs in het bijzijn van de burgemeester van Heerlen ten doop is gehouden en vanaf nu overal te koop is!

Over het boek

“Ik en mijn schaduw. Opeens was hij daar. Niet dat hij er anders niet was geweest, maar verder dan de schaduwbeelden van de blaffende hond met een zaklantaarn geprojecteerd op een tafellaken was hij nooit gekomen. Nu was daar dus plotseling ook een stem. Meer nog, een stem die mijn hersens gebruikte. Een vals brein dat besefte dat  om verder te leven volkomen afhankelijk was van mij en mij daarom het leven zuur maakte. Soms kon hij ook mild zijn, maar dat was dan niet meer dan schone schijn, een valstrik. Om de machtsverhouding volkomen duidelijk te stellen eiste hij op een gegeven ogenblik met u aangesproken te worden. Mijn weigering of vergetelheid werd gruwelijk gecorrigeerd op momenten dat zeker was dat niemand ons kon horen. Zelfs als hij goedwillend wilde zijn ging het mis: “Wie heeft dat gedaan?” Het antwoord: “ U meneer,’’ maar je bedoelde: “Ù” en dat was iemand anders; de kwelgeest, die mijn leven kapot maakte.  Hoe zou ik er in  slagen lichaam, geest en schaduw van elkaar te scheiden?”

Fré Videler